Welkom

ONMISBAAR ERFGOED: BRABANTSE BOERDERIJEN!

 

Boeren maakten Brabant

Eeuwenlang, tot aan de Tweede Wereldoorlog hebben mensenhanden en dan vooral boerenhanden het platteland van Noord-Brabant vormgegeven. De plattelandsbevolking bestond immers voor het merendeel uit boeren. Zij bouwden hun boerderijen en bewerkten hun land afhankelijk van de omstandigheden in de omgeving. Zij deden dat op de zee- en rivierklei bijvoorbeeld anders dan op de schrale zandgronden van de Kempen en op de oude veenontginningen in de Oostelijke Langstraat. Rond de steden Den Bosch en Breda weer anders dan diep in de Peel. Zij maakten gebruik van wat bodem, beken en rivieren hen boden. Zij omgaven hun weilanden en akkers met dichte houtwallen en hun paden en wegen met bomenrijen. Door jaren en soms eeuwen lang de schrale zandgronden met mest uit de potstal vruchtbaarder te maken vormden zij de 'bolle akkers' rond hun boerderijen.

Zij bouwden hun boerderijen en schuren, per streek met hun eigen kenmerken. Hun boerderijen hadden een opzet en indeling die werden bepaald door de mogelijkheden van de omgeving en door wat zij voor leven en werken nodig hadden: een woonplek voor de mensen en ruimte om vee te stallen, om hooi en stro te tassen, om producten te bewerken en op te slaan en om werktuigen onder te brengen. Het ruime erf rond de boerderij vormde een onderdeel van deze werk- en leefomgeving. Van daaruit bewerkten zij hun akkers en weidden zij hun vee.

Koe_1

Brandrode (MRIJ) koeien in aanbindstal (BB-museum Gemert)

Verscheidenheid aan boerderijen

De boeren bouwden hun boerderijen met materialen die bij de hand waren: hout, leem, stro of riet en later bakstenen en pannen. Op de zand- en veengronden en langs de rivieren bouwden zij aanvankelijk het rechthoekige driebeukige hallehuis. Het rieten of strooien dak werd door het eiken gebint gedragen en de muren hadden slechts een beschermende functie. Dit hallehuis heeft zich voortdurende aangepast aan de veranderende woon- en bedrijfsbehoeften en mogelijkheden van materiaalgebruik. Zo ontstonden bijvoorbeeld de hoekgevelboerderijen in de Meierij, de T-boerderijen rond Ravenstein en in het Land van Cuijk. Het Land van Heusden en Altena had kapitale dwarsdeelboerderijen met een royaal woongedeelte. In de Baronie van Breda bijvoorbeeld werden de hallehuizen vervangen door langgevelboerderijen vaak met een Vlaamse schuur. In het zeekleigebied werden rijke woonhuizen gebouwd, die los stonden van grote vierbeukige schuren. Zo had iedere streek zijn eigen kenmerken.

In grote lijnen ging dit zo door tot ca. 1900. Zo ontstond 'Mooi Brabant'. Vanaf 1900 vonden grote ontginningen plaats en werden daar ook boerderijen gebouwd. Nog steeds in de traditionele bouwstijl. Ondanks ontwikkelingen in de landbouw en ontginningen, ondanks opkomende industrialisatie en mobiliteit en ondanks toename van de bevolking bleef Noord-Brabant mooi tot aan de Tweede Wereldoorlog. In de oorlog werden veel boerderijen vernield, maar ook weer opgebouwd. Dit zijn de zgn. wederopbouwboerderijen.

De boerderijen die gebouwd zijn tot 1950 beschouwen wij als historische boerderijen.

 

Grote veranderingen

Vanaf 1945 treden grote veranderingen op. Schaalvergroting, produceren voor de Europese markt, specialisatie en intensivering, mechanisatie en automatisering spelen in de agrarische sector een steeds grotere rol. Deze ontwikkelingen hebben een enorme invloed gehad op de bedrijfsvoering en de inrichting van de boerderijen. Samen met de ruilverkavelingen 'oude stijl' veranderden zij het boerenlandschap en daarmee het platteland van Brabant ingrijpend. Uiteraard hebben ook de groei van de bevolking, verdergaande industrialisatie en de aanleg van bedrijventerreinen, de steeds toenemende mobiliteit en dus verkeersinfrastructuur het platteland van Brabant evenzeer veranderd.

 

Boerderijen verdwijnen

De ontwikkelingen in de landbouw hadden ook tot gevolg dat het aantal bedrijven met als hoofdberoep land- of tuinbouw vanaf 1960 sterk daalde. Deze daling gaat ook nu nog steeds door. Hierdoor kwamen en komen boerderijen en agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Zij werden en worden nog steeds gesloopt of onoordeelkundig verbouwd met name ook door burgerbewoners. Van de ongeveer 25.000 traditionele boerderijen van rond 1900 in Noord-Brabant zijn er nu nog ongeveer 7400 over. Dit zijn boerderijen - vaak met bijgebouwen - die cultuurhistorische waarde hebben. Van deze boerderijen hebben er nog geen 2000 een beschermde status als rijks- of gemeentelijk monument.

'Mooi Brabant' is dus voor een belangrijk deel verloren gegaan. Wat er van over is staat vaak onder druk. De 7400 historisch waardevolle boerderijen van vóór 1950 met hun opstallen en groene erven bepalen nog wel steeds in hoge mate het karakter van het Brabantse platteland. Dat moet ook zo blijven! We moeten niet alleen zuinig zijn op de monumenten, maar ook de andere ca. 5400 boerderijen. Zij vormen met de schuren en de andere bijgebouwen, de erven en wat er nog over is van het vroegere agrarische cultuurlandschap ons agrarisch cultureel erfgoed.